Mijn moeder zit op de po in bed.
Het is een mooie zomerdag, eind augustus 1989, de zon schijnt in het kleine ziekenhuiskamertje en mijn moeder heeft een gebloemd nachtponnetje aan. Naast haar staat een verpleegster.
“Het wordt niet veel,” zegt mijn moeder “ik leef op poep en sap.”
Ze moet daarna zo lachen om haar verspreking dat ze half van de po valt en daar krijgt ze een echt ouderwetse giechelbui van. “Hou je moeder even vast,” zegt de verpleegster en loopt weg om hulp te halen. Ik hou mijn moeder half overeind, zodat ze niet in de inhoud van de po terecht komt. Later zal ik aan dit moment denken als ik mijn 24 jaar oude kat laat sterven in mijn armen. De poes voelde aan als een zakje botjes en ik herinnerde me dat ik dat eerder had gevoeld: toen ik mijn moeder vasthield omdat ze van de po was gevallen.
Het stinkt verschrikkelijk, maar de slappe lach van mijn moeder werkt aanstekelijk en als de verpleegsters komen om bed en moeder te verschonen, weergalmt onze lachbui in de gang van het Rode Kruis ziekenhuis. Toch wil ik de verdere ontluistering van mijn hulpeloze moeder niet meemaken en trek me beleefd terug op de gang. Want daar mag ik huilen.
Twee weken geleden was ze nog thuis in haar eigen hofjeshuisje en vierde mijn eenenveertigste verjaardag met mijn vader, van wie ze 15 jaar daarvoor eindelijk gescheiden was. “Die man zit ook maar alleen,” had ze gezegd. “Hij mag bij mij jouw verjaardag komen vieren.” Mij had ze weggestuurd: “Kind, ga lekker even een weekje weg, ga iets leuks doen met die man van je en met vrienden, ik wacht wel met doodgaan tot je terug bent.” De dag nadat ik terug kwam werd ze opgenomen in het ziekenhuis. “Heerlijk” zei ze monter door de telefoon. “Aardige mensen hier op de zaal, prima verzorging, ik hoef zelf niks te doen en ik kan in de familiekamer mijn werk afmaken.”
Ze deed nog een werkje, omdat ze dat leuk vond. Ze vertaalde nu uit het Frans, brieven van George Sand aan Chopin, bestemd voor een radiodocumentaire. Het moest af, ze voelde zich daar verantwoordelijk voor. Vastberaden liep ze door de ziekenhuisgangen, in haar zomerjurk, met een spuugbakje in haar ene hand en een grote tas met de woordenboeken en het vertaalwerk in de andere. Ik hoorde van de verpleegsters dat ze er elke dag een paar uur aan werkte. Ik kwam dagelijks even langs, maar tijdens de bezoekuren zaten er altijd vrienden om haar heen. En anders was ze druk in de weer met het vertaalwerk. Ik had niet het idee dat ze mij daarbij nodig had, dus ik maakte me meestel snel uit de voeten. Toen het werk af was, zei ze tegen mij: “Neem alles maar mee, zet de woordenboeken in de boekenkast en stuur het vertaalwerk weg. Ik kan er niets meer aan doen, ze tikken mijn handschrift maar zelf uit. En neem dan meteen dat jurkje mee met die blauwe bloemen, ik heb niks meer schoon hier en ik hoef er niet als een smeerpoets bij te lopen.”
Maar een schone jurk was niet meer nodig. De volgende dag lag ze niet meer op zaal. “Je moeder is nu zo ziek, ze ligt apart,” vertelde de zuster. “Gisteravond wilde ze zo’n eenpersoonskamertje zien. Ze keek er wat rond en het beviel haar wel. Ze zei dat nu het vertaalwerk klaar was, er geen enkele reden meer was om haar sterven uit te stellen.” Een beetje angstig ging ik naar binnen, maar het viel enorm mee. Het is inderdaad een prettig kamertje. De ramen hebben uitzicht op de parkachtige tuin, waar de rozen bloeien en eenden rondzwemmen. Het zonlicht wordt prachtig gefilterd door voile gordijnen. Mijn moeder slaapt zittend in de kussens, met haar bril nog op. Ik kijk naar haar en denk aan een half jaar geleden. Ik zie ons samen in de spreekkamer van de dokter zitten. “Zeg het maar, dokter, heb ik kanker?” Als de arts dat bevestigt, gaat mijn moeder ontspannen zitten, leunt wat achterover, zegt: “Goed. Geen chemo, geen bestralingen, geen operaties, daar heb ik allemaal geen zin meer in.” En we gingen weer naar huis, omdat ze een afspraak had om Nederlandse les te geven aan een groepje Marokkaanse vrouwen.
Mijn broer is ook gekomen en tot mijn verbazing wil ze verder niemand meer zien. “Ze zijn allemaal afscheid komen nemen,” meldt ze tevreden. “Alle kleinkinderen, neven en nichten en een hele stoet vrienden.” Ze zegt tegen mij: “Ik heb jouw vader weg laten sturen, die heb ik twee weken geleden nog gesproken en dat was meer dan genoeg.” Dan kijkt ze liefdevol en vertederd naar mijn broer. “Gelukkig ben jij er wel, zo is het net of jouw vader nog leeft… Ongelofelijk, wat lijk je toch op je vader.” Zo kijkt mijn moeder nooit naar mij, want de vader van mijn broer was haar Grote en Enige Liefde. Ik merk dat ik niet eens meer jaloers ben, ik ben het volkomen gewend: mijn broer is de liefdesbaby en ik ben geboren, omdat mijn vader ook een zoon wilde. Helaas werd ik een dochter en mijn beide ouders waren behoorlijk teleurgesteld. En bovendien houdt mijn moeder niet van vrouwen. Vrouwen zijn concurrenten.
Wat hebben de vrouwen en vriendinnen van mijn broer het moeilijk gehad met haar, nooit was er eentje goed genoeg voor haar kind. Toevallig kreeg ze alleen maar kleinzonen, dat was weer een meevaller en het hielp in de acceptatie van de schoondochters. Maar tegenover mij… Ze flirtte schaamteloos met mijn vriendjes, collega’s, minnaars en echtgenoten. En die speelden het spel allemaal mee, behalve de laatste. En die mocht dan ook niet op bezoek komen om afscheid te nemen. Ik was daar boos over, maar ik had niet de moed om tegen haar in te gaan. Ik wist, dat er een moment zou komen, dat ik mijn moeder moest vergeven. Ik zou niet durven beweren dat ik er al helemaal toe bereid was, maar daar, in dat zonnige kamertje, begon het. Pas veel later blijkt dat ik met mildheid aan mijn moeder kan denken.
Nu mijn moeder in het terminale kamertje ligt, hoef ik me niet meer aan de bezoekuren te houden en mag dag en nacht bij haar blijven. Het werden bijzondere dagen, met mijn broer en mijn stervende moeder. Ze wil euthanasie, alle papieren zijn getekend, maar de dokter wil het niet, omdat het tegen zijn principes is. Ze is woedend en ondanks de morfine laat ze dat goed merken aan de dokter. “Ik bedenk wel een oplossing!” roept ze nog tegen z’n rug. En dan tegen ons: “Jullie weten toch wel dat ik hier dood ga? Ik moet nog van alles met jullie bespreken…” En dan, alsof het van het allergrootste belang is, legt ze uit waarom ze op haar 80ste verjaardag niet alle quiz-vragen kon beantwoorden. Ze had het schilderij “de aardappeleters” niet herkend en nu wil ze uitleggen hoe dat kwam: “Ik keek tegen het licht in en ik zag niet wat je in je hand had,” verdedigt ze zich. We plagen haar: “Je wist het gewoon niet”. “Nee, nee, ik zag het niet, kijk dan, als jij nou daar bij het raam staat en jij zit hier, dan zie je dat toch niet door het tegenlicht, kijk dan zelf!” Ik sta voor het raam met een appel in mijn hand, mijn broer en mijn moeder geven aanwijzingen hoe ik moet staan om het zelfde effect te bereiken als anderhalf jaar geleden bij haar feestje. “Iets hoger, je moet hoger staan en de gordijnen moeten open, het was toen veel feller licht.” Ik klim op een wankel tafeltje. Mijn moeder moet zo lachen, dat ze zowel moet hoesten als een enorme wind laten. Dat die magere rimpelbillen nog zulk geluid kunnen produceren! Het is dus mijn beurt om de slappe lach te krijgen, ik val bijna van het tafeltje, grijp de vitrage, die weliswaar niet scheurt maar met rails en al losschiet. Terwijl mijn broer de schade min of meer herstelt, lachen mijn moeder en ik nog na. Wij hebben altijd lol gehad om mooie knetterende scheten.
De tweede dag tekent mijn broer het portret van mijn moeder terwijl ze slaapt. Ik zit er bij en voel me overbodig. Ik denk aan vroeger, hoe ik van jongs af aan voor haar zorgde als ze ziek was, hoe vaak ik heb gezegd dat ze mijn dominante vader moest verlaten, hoe ze uiteindelijk pas na haar zestigste een leven kreeg vol minnaars en nieuwe vrienden. Ik probeer haar lief te hebben, maar ervaar eerder bewondering. Die frêle, magere, verzwakte, oude moeder van mij is nog steeds een sterke vrouw.
Het is de derde dag en mijn moeder is verschoond, na het po-incident. Mijn broer is even naar zijn huis terug. Ik zit naast het bed, mijn moeder en ik beiden met een boek. “Ik zie zo slecht,” klaagt ze, “zou dat van de morfine komen?” Ik zie opeens, dat ze een verkeerde bril op heeft. Deze bril is blijkbaar in het nachtkastje achtergebleven en behoorde toe aan de vorige bewoner. We hebben er veel plezier om en ze barst weer los in een van haar heerlijke lachsalvo’s. Het lijkt haar komisch als ik haar bril ook achterlaat, voor de volgende stervende. Ze praat luchtig over haar naderende vertrek. “Ik heb alles af en ben overal klaar mee. Ik mag wel gaan,” heeft ze gezegd. En dan met een grijns: “Ja, kind, jouw werk begint straks pas.”
Mijn moeder heeft mij instructies gegeven: de instantie die gebeld moet worden om haar op te halen, een nieuw nachthemd voor in de kist, hoe we haar spullen moeten verdelen. Jaren daarna, aan het sterfbed van mijn vader, herinner ik me deze uren. Hoe bang ik was dat mijn moeder in een grote grijze zak weggehaald zou worden, op weg naar de universiteit die haar lichaam mocht hebben “voor de wetenschap”. En hoe alles meeviel, dat ze netjes in een kist wegreed uit het ziekenhuis, in een grote zwarte Renault, met passende snelheid. En dat de hekken van het mortuarium dramatisch achter ons dicht vielen op die stralende zomerochtend. Hoe mijn broer en ik als in een filmshot daar achter bleven. En hoe mijn moeder alles geregeld bleek te hebben: de dichtregels voor op de rouwkaart, de adressenlijst van mensen die bericht moesten krijgen, de stickertjes op haar spulletjes: voor Betty… voor Hans…
Ik hoef nu niets voor haar te doen, alleen er te zijn. “Kom je even bij me liggen” vraagt ze. Ik schuif voorzichtig naast haar, wil mijn armen beschermend om haar heen slaan. “Neeeeh… zo niet. Jij bent het kind en ik ben de moeder”. Ik was vergeten hoe dat voelde, hoe dat vroeger was, zondagochtend bij mamma in bed. Ik was vergeten dat ik haar kind ben. Ik lig nu in de holte van haar arm, durf me niet te ontspannen op dat magere lichaam, steun krampachtig op een elleboog. Nu nog, als ik bij mijn Lief lig, voel ik heel even hoe ik daar toen lag: niet meer klein en toch het kind. Ze valt in slaap. Zo vindt mijn broer ons.
“Jullie zitten nou al drie dagen hier in het ziekenhuis, gaan jullie nou eens lekker samen eten,” beslist mijn moeder. Ze grabbelt in haar tas naar haar portemonnee. Ze kijkt hoeveel er in zit en geeft tenslotte alles aan mij. “Wat is het toch handig om twee kinderen te hebben,” heeft ze eerder die dag gezegd. “Jij kan je broer opvangen als ik er niet meer ben.” Ze bedoelde: “en mijn taak overnemen.” Ik moet altijd aan dat zinnetje denken, elke keer dat mijn zes jaar oudere broer me belt met een probleem. En Mamma stuurt ons nu samen weg. Ze pakt demonstratief haar boek en wuift: “Ga nou maar, da-hag”. En we gaan, een beetje opgelucht toch ook. Even ontsnappen we aan het ziekenhuis, aan de dood, aan de toekomst zonder moeder. We zijn ontzettend broer en zus, intenser samen dan we ooit waren. We eten in een klein Spaans restaurant. We drinken rode wijn. We rijden naar de Boulevard en zitten samen op een bankje te kijken naar de donkere zee. Het is een warme avond. We praten. “Weet je nog…”
Als we terugkomen in het kamertje, ligt ze als een minuscuul vogeltje op haar rechterzij met opgetrokken knieën. Haar ogen zijn half open en ze heeft haar gebit niet in. Op het nachtkastje liggen haar bril en haar boek, met een briefje tussen de bladzijden. “Vanavond” heeft ze er op geschreven. Ik stop het briefje in mijn jaszak, ik wil niet dat iemand het vindt. Ik vermoed dat ze ons heeft weggestuurd en de verpleging om extra morfine of zoiets heeft gevraagd. Ik kijk naar haar, maar ik wil haar niet meer aanraken. Mijn broer kust haar. Ze is vijf minuten geleden gestorven.