De vader van mijn gestorven Geliefde is overleden, een paar weken voordat hij 96 zou worden. Ik had het contact verloren, maar niet omdat ik een nieuwe Man gevonden had. Na de dood van zijn enige zoon, koesterde hij een wrok tegen me, die voor mij te heftig was om te vergoelijken met compassie en empathie.

Ik ging uiteraard wel naar de crematieplechtigheid, waar ik, door de nogal lange reis, iets te laat aankwam. Maar ik had de gelegenheid om de rest van de familie te begroeten: de kinderen van mijn gestorven Geliefde, de moeder van de kinderen, de broer en de moeder van de moeder van de kinderen, de stiefvader van de kinderen en een paar vrienden van vroeger. Iedereen was er voor zijn kleinzonen, net als ik. Al met al een keurige bijeenkomst, met een kopje slappe koffie en kleffe broodjes. Ik voelde me overbodig, alsof de 20 jaar dat ik mijn schoonouders elk weekend op bezoek had gehad, totaal niet meer meetelden. Niemand sprak nog na over mijn ex-schoonvader of haalde herinneringen op. Ik dacht aan al die Kerst- en Paasdagen dat ik gekookt had, aan de zondagse lunches en diners, de verjaardagen van iedereen die altijd bij ons gevierd werden… en aan de moeizame gesprekken die er tijdens het eten gaande waren. Ook nu verzandde de conversatie in “hoe gaat het toch met je” zonder dat iemand echt luisterde naar het antwoord. Ik voelde geen verdriet: 95 is een mooie leeftijd om er mee op te houden, vooral als je al 8 jaar geen zin meer hebt. Ik miste mijn Geliefde, kuste mijn stiefzonen en ging een beetje katterig naar huis.

Een paar dagen daarvoor was ik op een totaal andere familiebijeenkomst geweest. Een herdenkingsfeestje voor mijn gestorven zwager, de broer van mijn derde echtgenoot, die veel te jong gestorven was na een auto-ongeluk. Ik werd uitgenodigd om er bij te zijn, omdat mijn band met die familie via de kinderen van mijn ex nog altijd zeer hecht is. Het was vol en druk en ik werd – na meer dan 25 jaar – binnengehaald als het verloren schaap. Ik werd omhelsd en gezoend en geknuffeld door alle neven en nichten, die ik nauwelijks nog herkende, na al die jaren. Iedereen die er was herinnerde zich wel een voorval betreffende mijn ex-zwager die het vermelden waard was. Er werd geproost en gelachen en er was ook nog tijd voor intieme, diepe gesprekken, waarbij geluisterd en gereageerd werd. Mijn Lief werd als vanzelfsprekend opgenomen in het geheel en naarmate de avond vorderde en de drank mee ging praten, liepen de emoties steeds hoger op. ‘Over de doden niets dan goeds’, ging gelukkig niet helemaal op, want iedereen erkende dat zowel mijn zwager als mijn ex ook minder leuke kanten hadden gehad. Niemand nam het me kwalijk dat we indertijd gescheiden waren en als de huidige weduwe van mijn ex het gewild had, was ze ook welkom geweest. Ik was zo’n 7 jaar onderdeel van die familie en ik had de meesten 25 jaar niet gezien, maar ik voelde me helemaal thuis. Ik ging niet katterig naar huis, al had ik de volgende dag wel een lichte kater.

Ik voelde me verward. Want hoe kan het, dat ik niet meer bij de familie hoorde van de man die ik mijn Grote Liefde noemde, wiens kinderen ik heb helpen opgroeien, waar ik 20 jaar mee samen was? En wel bij de familie van de man die ik mijn Grote Vergissing noemde?

Misschien heeft de familie van mijn gestorven Geliefde me 20 jaar lang slechts met moeite getolereerd en zich met verbazing afgevraagd hoe die rustige man met zo’n opgewonden tiepje een relatie kon hebben. Misschien hebben ze nooit geweten dat die man zelf ook wel eens verlangde naar heftigheid. Maar dat kwam in die familie niet voor, ze kenden het niet, ze wisten geen raad met emoties en de rancune van mijn schoonouders na zijn overlijden is daar een uiting van.

Maar in die luidruchtige chaos van discussies en warmte, ruzies en een alles overstelpende hoeveelheid liefde en genegenheid, viel ik indertijd helemaal niet op. Dat huwelijk mag dan een vergissing zijn geweest, de rest is dat niet.

Vanmorgen keek ik per ongeluk in de spiegel, voordat ik me volledig had aangekleed. De jaren dat ik eindeloos oefende voor de spiegels van de balletstudio liggen lang achter me, dus ik schrok. “Dit is niet geschikt meer voor openbare vertoning,” realiseerde ik me. Met kleren aan lijk ik nog wat en met mijn ogen dicht in de armen van mijn Lief voel ik me jong en mooi, maar in het kille ochtendlicht in mijn ondergoed…. Ik heb best wel een goeie relatie met mezelf, ik accepteer mijn minder goede eigenschappen (ja, die heb ik heus wel) maar mijn lijf…. Zolang ik me kan herinneren ben ik niet blij met wat ik zie in de spiegel.

Als tiener wilde ik er uit zien als een meisje van een Vargas-tekening. Maar ik ben 1.60 lang, heb piekhaar en ik ben altijd minstens 4 kilo te zwaar, dus het is absoluut onmogelijk om van mij een langbenige blondine met een wespentaille te maken. En toch ben ik ooit gevraagd om voor Playboy te poseren.

Ik was al boven de dertig en het centerfold-stadium reeds lang gepasseerd, dus ik was wel een beetje verbaasd toen ik dat verzoek kreeg. Maar mijn toenmalige man zei “dat vind jij leuk,” zoals hij ris de veau voor me bestelde in een restaurant: “dat vind jij lekker”. Ik denk, dat hij me wilde overhalen om het aanbod te accepteren, omdat hij eens iets wilde doen voor zijn zoon, waarschijnlijk omdat hij het heel lang had nagelaten iets voor zijn kinderen te doen. Die zoon wou bij de Nederlandse Playboy werken en moest, om zich te bewijzen, iemand vinden die bereid was om in het proefnummer te verschijnen. En zijn nieuwe stiefmoeder was een beetje bekend, na 3 films en de tv-serie die iedereen nog kent als ‘Waldolala’. Een absolute win-win situatie. Zoon kreeg de baan, Vader had het idee dat hij zijn zoon geholpen had, ik stond bloot in het blad en de Nederlandse Playboy was geboren. Ik moet toegeven, die foto-shoot was een bijzondere ervaring. Ik deed mijn eigen make-up en styling en ik had een appeltje bij me, voor als ik halverwege de dag honger zou krijgen. Toen ik de gepubliceerde foto’s zag viel het me mee. Maar zelfs Paul Huf kon me geen lange slanke benen geven en daar had ik toch een beetje op gehoopt.

Op weg naar de metro zag ik een tampon op de stoep liggen. Een gebruikte. Ik probeerde me voor te stellen hoe dat ding daar beland was. Uit een voorbijrijdende auto gegooid? Of de dame in kwestie had plannen voor een one night stand en bedacht opeens: “Kut! D’r zit nog zo’n ding in!” om ’t snel er uit plukken en ongemerkt op de stoep te laten vallen? Hoe doe je dat? En waarom ligt ‘t niet gewoon thuis, in een zakje, in het toiletemmertje? Wat een rare mensen bestaan er toch!

In de metro was ’t niet druk, ik kon zitten. Achter me hoorde ik in onvervalst plat Rotterdams: “Ze wille Respect! Nou, hun hebbe toch ook geen respect voor mijn?” Het deed me denken aan kinderen in de zandbak die heus wel weten dat ze niet met een schepje op het hoofd van een mede-kleuter mogen slaan: “ja, maar, hij begon!” Bij het uitstappen keek ik even, het waren twee middelbare dames, met kapperskrullen en een stevige handtas op schoot.

In de stad zag ik prachtige uitgedoste jonge mensen lopen, op een gewone woensdagochtend. Moeten die niet naar school? Of hebben ze geen werk? Is er niks beters te doen dan shoppen bij de H&M? Voor me liepen twee jonge meiden. De ene was een beetje te zwaar, maar ze zag er kek uit, met knalgele gympen onder een zwarte strakke broek. De andere was echt veel te dik en daar zat ze kennelijk niet mee. Ze droeg een legging, een glimmende, die een stukje bloot, wit, been boven haar schoenen liet zien. Maar ik keek vooral gefascineerd naar die enorme, wiebelende kont onder dat korte jasje. Dat iemand zo over straat durft! Ik moet al moet huilen van de 5 kilo die ik ben aangekomen en dat verhul ik allemaal angstig onder quasi opgewekte wijde tuniekjes. Nee, ik begrijp helemaal niets van zulke outfits.

Nu kwam me een lange, slanke, donkere vrouw tegemoet. Dichterbij zag ik dat ze om half elf in de ochtend al helemaal klaar was voor een fotoshoot, dikke laag foundation, plakwimpers waarschijnlijk, zorgvuldig aangebrachte lippenstift, onberispelijk kapsel. Wel jammer dat ze niet kon lopen op die hoge hakken met plateauzool.

Ik ging maar even koffiedrinken, op zo’n verwarmd terrasje waar fleece dekentjes liggen voor de verstokte rokers en keek naar de voorbijgangers. Waarom dragen oudere dames toch bij voorkeur een beige, te korte pantalon? En sommige mensen bezitten vast  geen spiegel, want ik kan me niet voorstellen dat je ‘s morgens denkt: “hè, leuk, vandaag doe ik mijn geruite rok aan, met dat streepjesjasje….”

En toen vond ik mezelf werkelijk onuitstaanbaar, zoals ik oordeelde over iedereen. Wat een genadeloze kritiek op mensen die ik niet ken, waarvan ik niet weet waarom ze die kleren aan hebben en wat ze daar in de stad doen. Ik schaamde me, want ik was toch die empatische, tolerante vrouw? Ai ai, ze moesten eens weten wat ik allemaal dacht….

Voor ’t slapen gaan zag ik mezelf nog steeds door de stad lopen. Het was zelfs op dat moment niet eenvoudig om mijn onaardige blik op de wereld een beetje te relativeren. Maar het waren alleen maar dingen die ik dacht, terwijl ik in de stad was, meer was ’t niet.

Het zijn de soort gedachten die we hoogstwaarschijnlijk allemaal hebben en die we niet uitspreken. En dat kan beter ook zo blijven.

Mijn moeder zit op de po in bed.

Het is een mooie zomerdag, eind augustus 1989, de zon schijnt in het kleine ziekenhuiskamertje en mijn moeder heeft een gebloemd nachtponnetje aan. Naast haar staat een verpleegster.
“Het wordt niet veel,” zegt mijn moeder “ik leef op poep en sap.”
Ze moet daarna zo lachen om haar verspreking dat ze half van de po valt en daar krijgt ze een echt ouderwetse giechelbui van. “Hou je moeder even vast,” zegt de verpleegster en loopt weg om hulp te halen. Ik hou mijn moeder half overeind, zodat ze niet in de inhoud van de po terecht komt. Later zal ik aan dit moment denken als ik mijn 24 jaar oude kat laat sterven in mijn armen. De poes voelde aan als een zakje botjes en ik herinnerde me dat ik dat eerder had gevoeld: toen ik mijn moeder vasthield omdat ze van de po was gevallen.
Het stinkt verschrikkelijk, maar de slappe lach van mijn moeder werkt aanstekelijk en als de verpleegsters komen om bed en moeder te verschonen, weergalmt onze lachbui in de gang van het Rode Kruis ziekenhuis. Toch wil ik de verdere ontluistering van mijn hulpeloze moeder niet meemaken en trek me beleefd terug op de gang. Want daar mag ik huilen.

Twee weken geleden was ze nog thuis in haar eigen hofjeshuisje en vierde mijn eenenveertigste verjaardag met mijn vader, van wie ze 15 jaar daarvoor eindelijk gescheiden was. “Die man zit ook maar alleen,” had ze gezegd. “Hij mag bij mij jouw verjaardag komen vieren.” Mij had ze weggestuurd: “Kind, ga lekker even een weekje weg, ga iets leuks doen met die man van je en met vrienden, ik wacht wel met doodgaan tot je terug bent.” De dag nadat ik terug kwam werd ze opgenomen in het ziekenhuis. “Heerlijk” zei ze monter door de telefoon. “Aardige mensen hier op de zaal, prima verzorging, ik hoef zelf niks te doen en ik kan in de familiekamer mijn werk afmaken.”

Ze deed nog een werkje, omdat ze dat leuk vond. Ze vertaalde nu uit het Frans, brieven van George Sand aan Chopin, bestemd voor een radiodocumentaire. Het moest af, ze voelde zich daar verantwoordelijk voor. Vastberaden liep ze door de ziekenhuisgangen, in haar zomerjurk, met een spuugbakje in haar ene hand en een grote tas met de woordenboeken en het vertaalwerk in de andere. Ik hoorde van de verpleegsters dat ze er elke dag een paar uur aan werkte. Ik kwam dagelijks even langs, maar tijdens de bezoekuren zaten er altijd vrienden om haar heen. En anders was ze druk in de weer met het vertaalwerk. Ik had niet het idee dat ze mij daarbij nodig had, dus ik maakte me meestel snel uit de voeten. Toen het werk af was, zei ze tegen mij: “Neem alles maar mee, zet de woordenboeken in de boekenkast en stuur het vertaalwerk weg. Ik kan er niets meer aan doen, ze tikken mijn handschrift maar zelf uit. En neem dan meteen dat jurkje mee met die blauwe bloemen, ik heb niks meer schoon hier en ik hoef er niet als een smeerpoets bij te lopen.”

Maar een schone jurk was niet meer nodig. De volgende dag lag ze niet meer op zaal. “Je moeder is nu zo ziek, ze ligt apart,” vertelde de zuster. “Gisteravond wilde ze zo’n eenpersoonskamertje zien. Ze keek er wat rond en het beviel haar wel. Ze zei dat nu het vertaalwerk klaar was, er geen enkele reden meer was om haar sterven uit te stellen.” Een beetje angstig ging ik naar binnen, maar het viel enorm mee.  Het is inderdaad een prettig kamertje. De ramen hebben uitzicht op de parkachtige tuin, waar de rozen bloeien en eenden rondzwemmen. Het zonlicht wordt prachtig gefilterd door voile gordijnen. Mijn moeder slaapt zittend in de kussens, met haar bril nog op. Ik kijk naar haar en denk aan een half jaar geleden. Ik zie ons samen in de spreekkamer van de dokter zitten. “Zeg het maar, dokter, heb ik kanker?” Als de arts dat bevestigt, gaat mijn moeder ontspannen zitten, leunt wat achterover, zegt: “Goed. Geen chemo, geen bestralingen, geen operaties, daar heb ik allemaal geen zin meer in.” En we gingen weer naar huis, omdat ze een afspraak had om Nederlandse les te geven aan een groepje Marokkaanse vrouwen.

Mijn broer is ook gekomen en tot mijn verbazing wil ze verder niemand meer zien. “Ze zijn allemaal afscheid komen nemen,” meldt ze tevreden. “Alle kleinkinderen, neven en nichten en een hele stoet vrienden.” Ze zegt tegen mij: “Ik heb jouw vader weg laten sturen, die heb ik twee weken geleden nog gesproken en dat was meer dan genoeg.” Dan kijkt ze liefdevol en vertederd naar mijn broer. “Gelukkig ben jij er wel, zo is het net of jouw vader nog leeft… Ongelofelijk, wat lijk je toch op je vader.” Zo kijkt mijn moeder nooit naar mij, want de vader van mijn broer was haar Grote en Enige Liefde. Ik merk dat ik niet eens meer jaloers ben, ik ben het volkomen gewend: mijn broer is de liefdesbaby en ik ben geboren, omdat mijn vader ook een zoon wilde. Helaas werd ik een dochter en mijn beide ouders waren behoorlijk teleurgesteld. En bovendien houdt mijn moeder niet van vrouwen. Vrouwen zijn concurrenten.

Wat hebben de vrouwen en vriendinnen van mijn broer het moeilijk gehad met haar, nooit was er eentje goed genoeg voor haar kind. Toevallig kreeg ze alleen maar kleinzonen, dat was weer een meevaller en het hielp in de acceptatie van de schoondochters. Maar tegenover mij… Ze flirtte schaamteloos met mijn vriendjes, collega’s, minnaars en echtgenoten. En die speelden het spel allemaal mee, behalve de laatste. En die mocht dan ook niet op bezoek komen om afscheid te nemen. Ik was daar boos over, maar ik had niet de moed om tegen haar in te gaan. Ik wist, dat er een moment zou komen, dat ik mijn moeder moest vergeven. Ik zou niet durven beweren dat ik er al helemaal toe bereid was, maar daar, in dat zonnige kamertje, begon het. Pas veel later blijkt dat ik met mildheid aan mijn moeder kan denken.

Nu mijn moeder in het terminale kamertje ligt, hoef ik me niet meer aan de bezoekuren te houden en mag dag en nacht bij haar blijven. Het werden bijzondere dagen, met mijn broer en mijn stervende moeder. Ze wil euthanasie, alle papieren zijn getekend, maar de dokter wil het niet, omdat het tegen zijn principes is. Ze is woedend en ondanks de morfine laat ze dat goed merken aan de dokter. “Ik bedenk wel een oplossing!” roept ze nog tegen z’n rug. En dan tegen ons: “Jullie weten toch wel dat ik hier dood ga? Ik moet nog van alles met jullie bespreken…”  En dan, alsof het van het allergrootste belang is, legt ze uit waarom ze op haar 80ste verjaardag niet alle quiz-vragen kon beantwoorden. Ze had het schilderij “de aardappeleters” niet herkend en nu wil ze uitleggen hoe dat kwam: “Ik keek tegen het licht in en ik zag niet wat je in je hand had,” verdedigt ze zich. We plagen haar: “Je wist het gewoon niet”. “Nee, nee, ik zag het niet, kijk dan, als jij nou daar bij het raam staat en jij zit hier, dan zie je dat toch niet door het tegenlicht, kijk dan zelf!” Ik sta voor het raam met een appel in mijn hand, mijn broer en mijn moeder geven aanwijzingen hoe ik moet staan om het zelfde effect te bereiken als anderhalf jaar geleden bij haar feestje. “Iets hoger, je moet hoger staan en de gordijnen moeten open, het was toen veel feller licht.” Ik klim op een wankel tafeltje. Mijn moeder moet zo lachen, dat ze zowel moet hoesten als een enorme wind laten. Dat die magere rimpelbillen nog zulk geluid kunnen produceren! Het is dus mijn beurt om de slappe lach te krijgen, ik val bijna van het tafeltje, grijp de vitrage, die weliswaar niet scheurt maar met rails en al losschiet. Terwijl mijn broer de schade min of meer herstelt, lachen mijn moeder en ik nog na. Wij hebben altijd lol gehad om mooie knetterende scheten.

De tweede dag tekent mijn broer het portret van mijn moeder terwijl ze slaapt. Ik zit er bij en voel me overbodig. Ik denk aan vroeger, hoe ik van jongs af aan voor haar zorgde als ze ziek was, hoe vaak ik heb gezegd dat ze mijn dominante vader moest verlaten, hoe ze uiteindelijk pas na haar zestigste een leven kreeg vol minnaars en nieuwe vrienden. Ik probeer haar lief te hebben, maar ervaar eerder bewondering. Die frêle, magere, verzwakte, oude moeder van mij is nog steeds een sterke vrouw.

Het is de derde dag en mijn moeder is verschoond, na het po-incident. Mijn broer is even naar zijn huis terug. Ik zit naast het bed, mijn moeder en ik beiden met een boek. “Ik zie zo slecht,” klaagt ze, “zou dat van de morfine komen?” Ik zie opeens, dat ze een verkeerde bril op heeft. Deze bril is blijkbaar in het nachtkastje achtergebleven en behoorde toe aan de vorige bewoner. We hebben er veel plezier om en ze barst weer los in een van haar heerlijke lachsalvo’s. Het lijkt haar komisch als ik haar bril ook achterlaat, voor de volgende stervende. Ze praat luchtig over haar naderende vertrek. “Ik heb alles af en ben overal klaar mee. Ik mag wel gaan,” heeft ze gezegd. En dan met een grijns: “Ja, kind, jouw werk begint straks pas.”

Mijn moeder heeft mij instructies gegeven: de instantie die gebeld moet worden om haar op te halen, een nieuw nachthemd voor in de kist, hoe we haar spullen moeten verdelen. Jaren daarna, aan het sterfbed van mijn vader, herinner ik me deze uren. Hoe bang ik was dat mijn moeder in een grote grijze zak weggehaald zou worden, op weg naar de universiteit die haar lichaam mocht hebben “voor de wetenschap”. En hoe alles meeviel, dat ze netjes in een kist wegreed uit het ziekenhuis, in een grote zwarte Renault, met passende snelheid. En dat de hekken van het mortuarium dramatisch achter ons dicht vielen op die stralende zomerochtend. Hoe mijn broer en ik als in een filmshot daar achter bleven. En hoe mijn moeder alles geregeld bleek te hebben: de dichtregels voor op de rouwkaart, de adressenlijst van mensen die bericht moesten krijgen, de stickertjes op haar spulletjes: voor Betty… voor Hans…

Ik hoef nu niets voor haar te doen, alleen er te zijn. “Kom je even bij me liggen” vraagt ze. Ik schuif voorzichtig naast haar, wil mijn armen beschermend om haar heen slaan. “Neeeeh… zo niet. Jij bent het kind en ik ben de moeder”. Ik was vergeten hoe dat voelde, hoe dat vroeger was, zondagochtend bij mamma in bed. Ik was vergeten dat ik haar kind ben. Ik lig nu in de holte van haar arm, durf me niet te ontspannen op dat magere lichaam, steun krampachtig op een elleboog. Nu nog, als ik bij mijn Lief lig, voel ik heel even hoe ik daar toen lag: niet meer klein en toch het kind. Ze valt in slaap. Zo vindt mijn broer ons.

“Jullie zitten nou al drie dagen hier in het ziekenhuis, gaan jullie nou eens lekker samen eten,” beslist mijn moeder. Ze grabbelt in haar tas naar haar portemonnee. Ze kijkt hoeveel er in zit en geeft tenslotte alles aan mij. “Wat is het toch handig om twee kinderen te hebben,” heeft ze eerder die dag gezegd. “Jij kan je broer opvangen als ik er niet meer ben.” Ze bedoelde: “en mijn taak overnemen.” Ik moet altijd aan dat zinnetje denken, elke keer dat mijn zes jaar oudere broer me belt met een probleem. En Mamma stuurt ons nu samen weg. Ze pakt demonstratief haar boek en wuift: “Ga nou maar, da-hag”. En we gaan, een beetje opgelucht toch ook. Even ontsnappen we aan het ziekenhuis, aan de dood, aan de toekomst zonder moeder. We zijn ontzettend broer en zus, intenser samen dan we ooit waren. We eten in een klein Spaans restaurant. We drinken rode wijn. We rijden naar de Boulevard en zitten samen op een bankje te kijken naar de donkere zee. Het is een warme avond. We praten. “Weet je nog…”

Als we terugkomen in het kamertje, ligt ze als een minuscuul vogeltje op haar rechterzij met opgetrokken knieën. Haar ogen zijn half open en ze heeft haar gebit niet in. Op het nachtkastje liggen haar bril en haar boek, met een briefje tussen de bladzijden. “Vanavond” heeft ze er op geschreven. Ik stop het briefje in mijn jaszak, ik wil niet dat iemand het vindt. Ik vermoed dat ze ons heeft weggestuurd en de verpleging om extra morfine of zoiets heeft gevraagd. Ik kijk naar haar, maar ik wil haar niet meer aanraken. Mijn broer kust haar. Ze is vijf minuten geleden gestorven.

Ik woon op een boerderij, weliswaar niet met varkens of kippen, maar wel heel erg Buiten en Platteland. En ik zou niet anders meer willen. Ik ben over mezelf verbaasd, dat ik dat zo fijn vind. Want ik ben opgegroeid midden in Den Haag, woonde en werkte in Amsterdam en Rotterdam. Heerlijk, die jaren dat ik in de kroeg zat, in het theater speelde en op een school les gaf. Ik moest niet denken aan Rust en Ruimte en Natuur, alsjeblieft niet zeg. Doe mij maar Druk en Veel en Interessante Theaterbelevenissen!

Tegenwoordig speelt mijn leven zich voor 2 dagen af in de grote stad en de rest van de tijd woon ik dus op het platteland. Een buitengewoon prettige regeling: ik heb twee dagen om vriendinnen te zien, familie te voederen, de tandarts of de kapper te bezoeken, te shoppen in kleding- en schoenenwinkels die niet in de provincie te vinden zijn en een voorraad exotische levensmiddelen in te slaan. Met een auto vol tassen rijd ik dan terug naar onze boerderij, om daar lekker in een iets minder hoog tempo te koken, te schrijven, te leven.

Maar onlangs kwam het zo uit dat ik 12 dagen weg van huis zou zijn. Ik verheugde me er op, alsof ik vakantie ging hebben in een stad als Barcelona of Londen. Ik had een mooie planning gemaakt: een voorstelling bezoeken, brunchen, 4 dagen overdag mijn toneelstuk spelen voor 1e jaars studenten, dan kon ik nog wel een avond-voorstelling zien, een werk-vergadering hebben, borrelen met vriendinnen, een familiediner serveren, naar een concert, 3 dagen naar een theaterfestival, een dagje met een vriendin shoppen, een lunchafspraak maken en naar de nagelstudio……. Het voelde echt als vakantie, er even helemaal tussenuit. Tenslotte heb ik de beschikking over een comfortabele flat, midden in de stad.

Het viel behoorlijk tegen. Begrijp me niet verkeerd, alle dingen die ik deed waren allemaal leuk en fijn en gezellig en bijzonder en prettig. Maar ik zat in mijn eentje in de stad en daar ben ik niet goed in. Dan moet ik de televisie aan om in slaap te kunnen vallen en 3 wekkers zetten om op tijd op te staan. Bovendien was het veel te veel. Ik voelde me daardoor opgejaagd en nerveus en ook nog schuldig, omdat ik geen letter heb geschreven. Na 12 dagen was ik helemaal kapot van die “vakantie”. Ik was zo blij toen ik de oprit opreed, de honden blij blaffend naar buiten renden en mijn Lief hielp met het uitladen van al die tassen. Binnen brandde de houtkachel en stond de wijn klaar.

Ik moest wel om mezelf lachen. Het is ook nooit goed. Als ik in de stad ben, verlang ik naar Rust. Als ik uitkijk over het kale maïsveld mis ik de drukte van de Maasboulevard. Ik mopper op de dorpse supermarkt (waar ze nog tijd hebben om een praatje met je te maken) en ik klaag dat ik 30 kilometer moet rijden naar de dichtstbijzijnde behoorlijke provinciestad. En op andere dagen zeur ik over het gebrek aan parkeerplaatsen, de volle metro en de onbeschofte caissières. Altijd ontevreden…

Aan die ontevredenheid moest ik maar eens een eind maken. Zonde van mijn tijd om me daar over op te winden, toch? Ik kan beter een voorbeeld nemen aan onze honden: het leven is mooi als er geaaid wordt, het leven is fijn als er buiten gespeeld wordt, het leven is een feest als de voerbak gevuld wordt. Elk bos, park, grasveldje en schapenweitje is een avontuur, elke bank is geschikt om een dutje te doen.

Veilig aan de voeten liggen, dat is belangrijk.

Het lijkt me dat ik deze week kan uitroepen tot Cadeau-Zonen week.

Zoals het soms opeens Vriendinnen-Week is, volgens Facebook. Geen idee wie dat verzint, maar voor je ’t weet doet de helft van je virtuele vrienden er aan mee. Gelukkig maar, want toen ik een beetje klagerig schreef dat ik niet mee kon doen met Dochter-week, tenzij de dochters die ik cadeau kreeg of te leen had ook meetelden, schreven ze allemaal dat het Cadeau- en Kunst-moederschap absoluut ook geldig was. En dat is fijn, want nu vind ik dat het Cadeau-Zonen week is. Ik heb er 4, uit 2 verschillende huwelijken. En ze wilden mij de afgelopen week allemaal deelgenoot maken van een stukje van hun leven. Het stemde me blij en trots.

De jongste, inmiddels ook al weer boven de dertig, heeft sinds een paar maanden een nieuwe werkplek: het restaurant van een golfbaan. Hij belde me op het moment dat ik net intern stond te vloeken in de supermarkt, omdat er steeds minder hondenvoer in het schap staat. Maar ja, je kind, die wil je altijd spreken. Stel je voor dat er iets Ergs is! “Kom je zondag brunchen?” vroeg hij. “Ik heb je zo lang niet gezien, en we beginnen met champagne…” Hij weet precies hoe hij me kan verleiden. Ik ben niet bestand tegen de combinatie van zijn vleiende stem en het vooruitzicht van een glaasje bubbels. Natuurlijk kom ik, daar heb ik wel een uurtje in de auto voor over. Ik wil hem graag zien, hoewel ik dat ook moeilijk vind. Hij lijkt namelijk zo ontzettend op mijn overleden Geliefde. Dat wordt naarmate hij de leeftijd nadert waarop ik zijn vader voor ’t eerst ontmoette, alleen maar sterker. Hij ontroert me, vooral als ik hem zo ontspannen bezig zie met het ontvangen van klanten. Nou ja, niet erg, zo’n stiekem traantje. Ik ben trots op hem, hij heeft zijn leven goed op de rails.

Een grotere tegenstelling met zijn 2 jaar oudere broer is nauwelijks denkbaar. Ik heb hem een paar dagen geleden opgezocht en zo’n bezoekje is niet eenvoudig. Ik moest door een poortje op mijn sokken, omdat er kennelijk metaal in mijn schoenen zit. Mijn telefoon moest in een lockertje. Mijn cadeautjes en de inhoud van mijn tas werden gecontroleerd. Er loopt iemand met me mee naar zijn kamertje, hij zit op het bed en ik in de enige stoel. Hij zet slappe koffie voor me en we snoepen van de meegebrachte chocoladetaart. We praten over de dingen die hem bezig houden, zoals we dat al jaren doen: over films, beeldende kunst, vroeger en zijn vader. Aan de muur hangt het papier van de Open Universiteit, het bewijs dat hij zijn Bachelor Psychologie heeft gehaald. Ik ben waanzinnig trots op hem, want het was zwaar voor hem om door te zetten, module na module af te werken in z’n eentje. “Denk je dat ik nou een baan zal vinden?” vraagt hij. Nee, dat denk ik niet. Wie in een psychiatrische kliniek verblijft, achter grondig gesloten deuren, heeft een onafweekbaar etiketje opgeplakt gekregen. En er is geen zicht op versoepeling van de regels, omdat hij al twee keer een ernstige terugval heeft gehad. De deuren blijven voorlopig op slot en de behandeling is gericht op het voorkomen van een nieuwe psychose. “Misschien kan ik hier werken, als ervaringsdeskundige” zegt hij hoopvol. Ja, misschien… Wat doet het pijn om hem zo te zien. Een volwassen man, maar ik zie nog altijd het kind. Een kind zonder toekomst. En toch ben ik ook trots op hem, omdat hij te blijft proberen een normaal leven te leiden.

Gisteren was ik weer op een andere manier trots. Toen ik met twee blije honden tussen de weilanden wandelde, belde het kind (- inmiddels zelf Cadeau-Vader -) die ik bijna 30 jaar geleden als puber cadeau kreeg. Hij klonk een beetje opgewonden. “Mijn ideële stichting krijgt Prinses Maxima als beschermvrouwe! Ik mag straks een half uur met haar praten!” Wauw! Ondanks de vrieskou gloeide ik van trots. Zijn idee, om de kennis die hij bezit, in te zetten voor jongeren, is in 3 jaar tijd uitgegroeid tot een grootschalig project. “Er is pers bij en televisie enzo. Ik heb mijn beste pak aan!” zei hij blij. Ik lachte, want ik zag hem in drie-delig grijs rondlopen en zag mezelf op dat moment in mijn oude joggingbroek, laarzen en onflatteuze muts. “Ik ben een beetje zenuwachtig” zei hij nog. “Je vader zou er van genoten hebben,” dacht ik, “die hield wel van al die media aandacht.” Ik wenste hem plezier en succes. “We bellen nog wel in ’t weekend.”

Lang leve de telefoon. Want tenslotte belde zijn oudere broer ook nog. Hoewel ik deze “zoon” niet heb helpen opgroeien en ons contact tijdens mijn huwelijk met zijn vader nogal beperkt was, zijn we de laatste jaren goede vrienden geworden. We delen namelijk onze liefde voor het geschreven woord. We becommentariëren elkaar werk, houden elkaar op de hoogte van onze vorderingen, klagen over writers-block en steunen elkaar met goede raad over planning en aanpak. Maar het grote verschil is, dat hij leeft van zijn artikelen en columns. Daarom schrijft hij goed en veel, al is het wel vaak onder de stress van de deadline. Ik heb dat niet en wil daarom het schrijven nog wel eens uitstellen. Na een tijdje staren naar dat witte vlak op mijn computerscherm ga ik toch maar eerst de mail checken, rondneuzen op Facebook, een woordje leggen via mijn telefoon of ik bedenk me dat ik opeens dringend een taart moet bakken. “Schrijf nou toch gewoon,” zegt hij. “Elke dag een uur, je hebt zo een boek af.” Ja ja… een Boek… mag ik eerst een blogje? “Je hebt een column nodig in een blad” zegt hij resoluut. “Ik zal ‘es kijken bij wie ik je kan aanbevelen. Dat vind jij leuk!” Ik moet lachen, want ik denk aan zijn vader, die voor mij bestelde in een restaurant: “Dat vind jij lekker.” En hij ik ben trots op hem, zoals hij na een moeilijke periode zijn zaken weer stukje bij beetje in orde krijgt en ook nog tijd heeft voor mij. “Ja, een column is leuk. Maar ook eng,” zeg ik. “Het is net zoiets als auditie doen voor een grote Joop van den Ende Musical: leuk en eng, want je moet opeens presteren.” “Dat is het lot van de schrijver,” zegt hij vrolijk.

Na dat gesprek kijk ik terug naar de afgelopen week. En daarna staar ik naar het lege document voor me. Als ik dat nou eens kon vullen. Het gaat om de eerste zin. De rest komt dan wel. Ach, wat maak ik het mezelf toch moeilijk, het was immers Cadeau-Zonen week, dus……

Of schreef ik nou een stukje over Trots-Zijn-Op-De-Kinderen….?

Ik maak sambal goreng telor en denk aan mijn moeder.

Ze is al meer dan 20 jaar dood en mijn relatie met haar was, laten we zeggen: gecompliceerd. Ze komt op allerlei momenten opeens weer in mijn hoofd en helaas niet altijd even blij-makend. Maar nu ik in de keuken sta te roeren in een sausje dat straks over de hardgekookte eitjes moet, is ze levendig en opgewekt in mijn verbeelding aanwezig. En dat is vreemd, want ik vertel vaak over de abominabele kookkunst van mijn moeder (aangebrand, te zout, niet gaar, tot pap gekookt – om maar niets te zeggen over de soms wonderlijke combinaties die op mijn bordje lagen) omdat het zulke vrolijke verhalen oplevert. Maar ik doe haar daarmee te kort. Ze kon namelijk geweldig een rijsttafel samenstellen en mijn vader maakte daar graag goede sier mee als zijn oudere zuster op bezoek kwam. In de jaren ’50 was dat exotische eten thuis (dus niet in het toen al bekende Chninees-Indische restaurant) heel bijzonder, zeker omdat mijn moeder een gewone Nederlandse vrouw was.

Nou ja, gewoon…

Mijn Grootvader bezat een plantage in het voormalig Nederlands Indie. Mijn grootmoeder kreeg daar een zoontje en daarna 2 miskramen en 2 baby’s die maar een paar dagen oud werden. Dus toen ze weer zwanger was, verhuisden ze terug naar Nederland, waar het nieuwe kindje wellicht betere medische zorg zou kunnen krijgen. En dat was ook zo: mijn toekomstige moeder bleek een ernstige voedsel intolerantie te hebben en overleefde de eerste maanden uitsluitend op bessensap. Maar ze werd heerlijk vertroeteld door de baboe die meegekomen was uit Indie, net als Kokkie.

Zo groeide mijn moeder een beetje eenzaam op, met haar 13 jaar oudere broer, haar manisch-depressieve moeder, haar vader die lang in Indie bleef om de zaken af te handelen, het dagmeisje, de baboe en Kokkie. Na bessensap leerde ze rijst eten en later die typische smaken van Sumatra, want in Den Haag waren die ingrediënten goed te verkrijgen.

Mijn moeder had dus nooit leren koken. En later, toen ze na de beurskrach van 1927 van een rijke plantersdochter opeens in een totaal berooide jonge vrouw veranderde, vond ze een baantje in een kindertehuis, waar een kokkin de maaltijden bereidde buiten het gezichtsveld van mijn moeder. Toen de oorlog uitbrak had ze nog steeds weinig ervaring met koken en ze had wel wat anders aan haar hoofd dan om dat alsnog te leren. Ze kreeg een liefdesbaby en bracht hem naar een veilige plaats toen het eten werkelijk heel schaars begon te worden. En niemand bekommerde zich om lekkere maaltijden, iedereen was blij als er überhaupt te eten was. Haar huwelijk in 1945 met mijn vader was dan ook op eet-gebied nogal schokkend voor haar. Mijn vader was namelijk een lekkerbek, die watertandend vertelde over de heerlijke sjabbes-gerechten van zijn moeder en die bij zijn zuster bedelde om de familierecepten van de viskoekjes en de chocoladepudding. En aangezien hij weigerde om zelfs maar de keuken te betreden, moest mijn moeder maar zien hoe ze al dat heerlijks op tafel kreeg. Ze deed haar best, tenminste, dat wil ik graag aannemen, maar meestal mislukte het falikant. Behalve die rijsttafel.

Mijn moeder kende de beste toko’s van Den Haag en kon goed inkopen. En ze herinnerde zich hoe het moest smaken, dus experimenteerde ze met verse djahe en laos, djoeroek peroet, sereh en trassi. De rijst ging in de hooikist, een handige manier om aanbranden te voorkomen. Wat spannend was dat toch allemaal als de tafel vol stond met al die heerlijke hapjes, soms op een speciaal adresje kant-en-klaar gekocht, maar meestal zelf gemaakt. Katjangsausje en ketjapsausje voor bij de sateetjes. Frikadel. Sajoer lodeh. Sambal goreng boontjes. Hele hete kip. Roedjak. Rendang. Ikan terie. Seroendeng. Garnalenkoekjes. Ik zie nog de verschillende potjes sambal in het keukenkastje staan en het blok santen, dingen die je nergens in de keukenkastjes van mijn vriendinnetjes vond. Ik weet nog precies hoe ik snoepte van die kleverige plakjes goela djawa. Ik herinner me, hoe we samen, toen ik een liefde voor eten begon te ontwikkelen, prutsten aan een visgerechtje op basis van pilchards in tomatensaus. Net zolang een beetje van dit en een beetje van dat erbij tot ze zei: “Ja, zo moet het zijn.”

Wij, mijn broer en ik, vonden die rijsttafel ook een feest, hoewel de afwas waar wij voor opdraaiden werkelijk gigantisch was. Maar de volgende dag kregen we nassi rames omdat er altijd ruim voldoende over was. En de derde dag nassi goreng, om het allerlaatste op te maken. En dan wilde mijn vader geen rijst meer zien en keerden we terug naar de slappe boontjes, de licht aangebrande gekookte aardappelen en een slavink.

Nog altijd valt de sambal goreng telor die ik uit een toko haal, een beetje tegen. Net zoals ik maar niet kan wennen aan die bananen uit de frituur. Het smaakt niet zoals in mijn kinderjaren. Daarom maak ik het af en toe zelf. En dan denk ik met een glimlach aan mijn moeder.

Iemand plaatste deze foto op Facebook.

Een verbazingwekkend tafereel: moeder-tijger die haar welpen heeft verloren, wordt – door haar verzorgers in de dierentuin waar ze woont – uit haar depressie gehaald door haar biggetjes te laten zogen. Mooi hoor.

De drang om kleintjes te verzorgen zit kennelijk in de Vrouw. Pinguins proberen een kleintje te jatten als ze er zelf een kwijt geraakt zijn. Olifanten-tantes koesteren alle kleine neefjes en nichtjes van de kudde. Kippen laten elk kuiken onder hun vleugels kruipen en eendenmoeders accepteren ieder pulletje wat met ze mee zwemt. Maar de kleintjes moeten wel lijken op zichzelf, anders werkt het niet. De kans dat een eendenmoeder een jonge zwaan zal verzorgen is echt vrij gering, hoe mooi dat sprookje ook is. Voor de zekerheid hebben ze daarom de biggetjes verpakt in streepjes, zodat de moeder ze voor kleine tijgertjes zal houden.

Mensen kunnen meer accepteren, anders zouden er in het rijke westen nooit baby’s geadopteerd worden uit Azië of Afrika. Het mensenmoeder instinct zegt: “dit is een mensje, het ziet er een klein beetje anders uit dan ik zelf, maar dit is een mensenbaby, dus koesteren, verzorgen, laten opgroeien.” Wij mensen nemen onze verantwoordelijkheid. Meestal.

Die moeders worden pleegmoeders genoemd. Of – als ze het kind gratis bij de Man geleverd kreeg – stiefmoeder. En die laatste moedersoort schijnt verschrikkelijk te zijn. In alle sprookjes gaat het over de Boze Stiefmoeder, nooit over de Liefdevolle-die-zo-haar-best-doet. Nou weet ik uit ervaring dat het Stiefmoederschap best lastig is. Je hebt zo’n kind niet gekend als baby, je hebt geen luiers verschoond en je was er nog niet toen ze achter hun duwkarretje leerden lopen. Je bent er vooral als ze opstandig niet naar bed willen, geen zin hebben in huiswerk, de seks ontdekken en niet weten wat ze met hun leven aanmoeten. Maar het zijn de kinderen van de Man die je lief hebt en hun uiterlijk lijkt op hem, dus ze hebben geen gestreept dekentje nodig om je aan te zetten tot voeden, verzorgen en vertroetelen. Je geeft ze tijd en aandacht en je probeert ze onvoorwaardelijk lief te hebben. En ik vind dat me dat aardig is gelukt.

Ik hou alleen niet van de term “stiefkinderen”, het heeft zo’n negatieve connotatie. Omdat ik de kinderen als een geschenk heb ervaren, noem ik ze mijn cadeau-kinderen en dat maakt mij tot cadeau-moeder. Tenslotte kregen ze mij ook zo maar toegeworpen, of ze wilden of niet. Op die manier heb ik cadeauzonen en een cadeaudochter, maar ik heb ook kunst-dochters: meisjes die doordeweeks in ons gezin waren opgenomen, omdat ze een danskunstopleiding wilden volgen die te ver van hun ouderlijk huis gevestigd was. Ik voelde me ook echt hun kunstmoeder, omdat ze dikwijls na school in de keuken kwamen zitten praten (ja ja, een kopje thee, hoewel ook wel vaak met een glaasje wijn) over hun onzekerheden en hun toekomstplannen. Die kunstdochters brachten weer vrienden en vriendinnen mee, waarvan een aantal steeds regelmatiger aan kwam lopen, als zwerfkatjes op zoek naar warmte en gezelligheid en een bad en een bord eten. Aanloopkinderen, waarvan sommigen blijvend bleken te zijn.

Al die kinderen hou je voor de rest van je leven. Tenslotte ben ik niet zoals de Tijgermoeder, die ongetwijfeld die biggen zal oppeuzelen als ze merkt dat haar kinderen niet doen wat ze van ze verwacht. Ik heb ze wel uit het nest geduwd, toen ze groot genoeg waren, maar anders dan bij de koolmezen en de merels in mijn tuin, is het niet zo dat ik me daarna niks meer van ze aantrek. Nee, ik blijf me zorgen maken over mijn cadeau-, kunst- en aanloop-kroost. Gaat het wel goed met ze? Zijn ze gezond, hebben ze leuk werk, is hun huwelijk stabiel, zijn ze creatief, blijven ze zich ontwikkelen, zijn hun kinderen gezond, hebben ze een mooi leven? Natuurlijk gaat het niet met allemaal even gelijkmatig en prachtig: elk leven kent angsten en zorgen naast vreugde en harmonie. Maar ze zijn allemaal volwassen en ze moeten het toch echt zelf doen. Ik kan alleen maar naar ze luisteren als ze een probleem met me willen delen en soms mag ik er eentje een dagje verwennen en lekker koken, maar daar houdt het op. En dat vind ik aan de ene kant wel lekker rustig, maar soms ook een beetje jammer. Ik bezit kennelijk meer moederinstinct dan ik zelf dacht.

Sinds een paar jaar heb ik er trouwens twee nieuwe dochters bij. Van die kinderen die mee naar bed mogen als het onweert en waar je je vreselijk zorgen over maakt als ’t niet wil eten. Waar je een hele nacht bij blijft na een nare operatie en waarvan je ontroert bent als ze weer speelt en rent. Het soort kinderen die volledig afhankelijk zijn van je zorgen en aandacht. En die een tomeloze affectie voor je tonen.

Ik ben nu echt als de Tijger, die kleintjes verzorgt die niet op haar lijken. Maar ik accepteer hun uiterlijk zonder een gestreept lapje: ik ben hondenmoeder.

Op mijn desktop staat een document met “plannen voor 2011”.

Nee, geen goede voornemens, want ik ben wel goed genoeg. En ik zal moeten leren leven met wat niet goed aan me is. Trouwens, wat is nou “niet goed”? En wie bepaalt dat?

Vroeger ging mijn moeder daar over: lief zijn, dan was ik goed. Dan bedoelde ze eigenlijk: “doen wat ik zeg en me niet lastig vallen”. Mijn vader dacht er net zo over en daar kwam dan nog “goed presteren op school” bij. Vooral niet doen wat je zelf wil, want dat is niet lief. Dat lukte me trouwens redelijk, als braaf kind, maar als puber liep dat fantastisch uit de klauw. Sneu voor mijn ouders, maar een goede oefening voor later-als-ik-groot-ben.

Ook in huwelijken en relaties bepaalden de Man mijn goedheid.  Die wilden allemaal dat ik gedrag zou vertonen waar zij geen last van zouden hebben en hen in staat zou stellen wel te doen wat ze zelf wilden. Variaties op het thema “lief zijn”, waarbij de opdrachten van mijn vader en moeder aangevuld werden met dingen als “er beeldschoon uitzien – dus een paar kilo kwijtraken”, “de Man vrijlaten – dus jaloezie verzwijgen”, “een perfecte gastvrouw/huisvrouw zijn – dus leren koken en die teringzooi nou eindelijk eens opruimen” en “lief zijn – dus geen kritiek op de Man, hem in zijn waarde laten, erkennen dat hij de meerdere is, lachen om zijn grapjes, dezelfde dingen leuk/lekker vinden en zorgzaam zijn voor alle kinderen”. Alleen die allerlaatste opdracht ging vanzelf, de rest zat helemaal niet in me. Zodoende heb ik heel erg lang gedacht dat ik niet goed was. En maakte ik elk jaar die lijst met goede voornemens, om mezelf goed te krijgen.

Natuurlijk bezit ik eigenschappen die zelfs mezelf irriteren. Dingen die ik zou willen doen of zou willen kunnen, omdat ik ontevreden ben over mijn gedrag en mijn kundigheid, maar ik heb het opgegeven daar nog enige verandering in aan te willen brengen. Ja, ik ben een onattente verjaardagen vergeter, ik ben een uitsteller van dingen waar ik geen zin in heb en een afschuwelijke rommelmaker. Ja, ik begin weer langzaam dikker te worden. Ja, ik ben een stresskip. Maar wel helemaal authentiek! En ik heb heus ook leuke eigenschappen! Ik ben geen slecht mens, ik pas de begrippen compassie en empathie als vanzelfsprekend toe in mijn leven. Daarbij gun ik iedereen zijn/haar vrijheid, meningen en gewoontes, ongeacht of die overeenstemmen met de mijne. Ik kan me op die manier aardig handhaven en bovendien kan ik zo van mezelf houden. Dus de wens van 1 van mijn cadeaukinderen (“wees echt in 2012”) zal dan ook vast wel uitkomen.

Maar ik had het over het afgelopen jaar, waarop ik in januari ook geen goede voornemens had.

Die maak ik niet meer, sinds mijn Geliefde zeven jaar geleden op de avond van 1 januari na een hartstilstand in coma raakte. Hij had die middag zijn goede voornemens op de achterkant van een sigarendoosje geschreven. “Zieke ex-collega opzoeken” en “op vingers leren fluiten”, meer was ‘t niet. Dat was ook niet nodig, want hij was verder al helemaal goed. Mijn wereld stortte in, mijn fundament was weg en mijn goede voornemens kwamen drie jaar lang niet verder dan: “doorleven”. Pas in januari 2008 maakte ik weer plannen: “dit jaar ga ik lol maken met de mannen, net als vroeger”. Dat ik aan dat plan Echte Liefde overhield, was een onverwachte bonus.

Vandaar, dat ik voor 2011 ook plannen had gemaakt en – ongelofelijk – ik blijk ze uitgevoerd te hebben, nou ja, bijna allemaal. Ik had 4 ideeën voor toneelstukken, die zijn alle 4 geschreven en gaan uitgevoerd worden of zijn inmiddels gespeeld. Ik ben begonnen aan een schrijfsel dat langer dan een blog-verhaal moet worden, een boek (want wie wil er nou geen Boek schrijven?) Ik ben 12 keer begonnen en het is allemaal nog niets, maar ik heb het geprobeerd en ik ga er mee door. Ik heb, ook volgens plan, een foto/tekstboekje gemaakt over “het volgen van je eigen pad”, en hoewel dat nog beter en anders zou kunnen, ben ik blij met dat begin. Ik heb 2x per maand mijn nieuwe familie en verschillende vrienden te eten gegeven, ik heb regelmatig met vriendinnen aan de keukentafel en de klaverjastafel gezeten en vrienden gemaakt en teruggevonden via faceboek, dus mijn sociale contacten zijn na mijn pensionering niet gereduceerd tot schapen in de naburige wei. (Daar was mijn omgeving bang voor – de grapjassen)

Heerlijk, plannen maken, dromen hebben en ze zelf waarmaken. Ga ik voortaan elk jaar, nee, elke dag doen! Ik hoef niet groots en meeslepend te leven, maar ik wil wel graag vrijen en lachen en huilen met mijn Lief. Ik wil dankbaar zijn dat we allemaal (inclusief de honden) weer gezond door het leven stappen.  Ik wil – net als mijn Lief – geïnspireerd zijn om iets te scheppen, het lef hebben om risico’s te nemen en te gaan waar ’t leven me brengt. Net als in 2011.

Leef lang en voorspoedig. Zie het licht op je pad. Voel de liefde. Ook in 2012.

Omein.

“Zet dan een voet op de pot,” roept Jowie vanaf de gang.

We studeren aan de dansvakopleiding in Den Haag. Sinds mijn negende scharrel ik al rond op deze school, vanaf de breukenklas. Elk nieuw schooljaar verdwenen er klasgenoten en kwamen er weer hoopvolle meisjes bij. De nieuwe die toen in oktober arriveerde had zwarte streepjes op haar ogen en droeg artistieke, zelfgemaakte jakjes op een zwart kokerrokje. Ik ben dan 13 en zij is al 15. Omdat ze overstapt van een ander soort school komt ze toch bij mij in de klas. Dat is 4 jaar geleden en sinds die tijd zijn we nogal onafscheidelijk. Morgen is onze laatste examendag: 1 les in die roze maillot met dat zwarte balletpak met lange mouwen. Nog 1 keer ons haar in een knot. De laatste keer onze roze, versleten, satijnen spitzen aan.

Maar ik ben ongesteld. Dus: een groot dik maandverband. Als ik dat niet draag, zal het bloed langs mijn benen lopen, net als vorige maand. Ik zal met een rood hoofd de les uit moeten rennen, meewarig nagekeken door de voltallige examencommissie. Ik zal me helemaal moeten verschonen, de linten van mijn spitzen lospeuteren die ongetwijfeld in de knoop zullen raken. Mijn reserve maillot heeft een ladder, die mijn moeder zo onzichtbaar mogelijk gerepareerd heeft en dus onmiddellijk opvalt. Mijn enige andere zwarte balletpak heeft spaghettibandjes, waardoor mijn noodzakelijke beha zichtbaar zal zijn. Ik zal dus die dikke prop tussen mijn benen moeten hebben – in mijn eindexamenles. Waarom heeft het zo lang geduurd voor het ultradunne verbandje met plakstripje en zijvleugeltjes overal te koop was? Ik moet het doen met een kleine luier. Weliswaar beter dat een lapje badstof, zoals mijn moeder nog had. Maar toch nog wel met een speciaal gordeltje om dat teringding aan vast te knopen om schuiven te voorkomen.

“Tampon,” heeft Jowie gezegd. “Ga maar proberen.” Daarom sta ik nu op school, in de plee die ruikt naar meer dan 50 jaar plas die vooral naast de pot is gegaan. Het is warm, ik ben zweterig en licht in paniek. Ik probeer de aanwijzingen vanaf de gang op te volgen. Op m’n hurken. Voorovergebogen. Zittend op de pot. Half liggend op de pot. Staand, een voet er op. Ik duw en pruts en peuter. Het lukt niet, ik krijg dat ding er niet in. Ik ben 17 jaar en nog maagd.
“Ik moet nu onmiddellijk een man,” zeg ik, half huilend terug op de gang. “Kan me niet schelen wie, het moet gewoon vandaag nog, dan kan ik morgen die tampon in.” Ik kijk verwachtingsvol naar Jowie, alsof die meteen de man die dit klusje op zich zal nemen, zal gaan roepen. Maar nee. “Je eerste keer moet fijn zijn. En je moet verliefd zijn en je moet daar met een glimlach aan terug kunnen denken. Je doet het maar 1 keer voor het eerst. Belangrijk moment.” “Hoe was jouw eerste keer dan?” vraag ik, want ik neem de waarschuwing ernstig op en voel bij haar verdriet – of spijt. “Fietsenhok. Moet je niet doen, dat is niks voor jou.” Ze kijkt me peinzend aan: “ik heb wel een step-in voor je”.
Zo doe ik mijn eindexamen, onder mijn balletkleding de strakke elastieken broek van Jowie met daarin vastgeklonken mijn maandverband.
Niemand die er iets van gezien heeft.

“Ja dat weet ik nog”, zegt Jowie nu. Ik zit op de rand van haar bed, 36 jaar later. We halen deze herinnering op omdat ik haar luier net heb verschoond. Ze is immers altijd in mijn buurt gebleven. Ondanks onze voortdurende verhuizingen. Ondanks die volkomen verschillende carrières. Wij waren aanwezig bij elkaars huwelijken, verjaardagen, voorstellingen. Ik kende haar voltallige uitgebreide katholieke familie, zoals zij mijn ouders, mijn broer kende. Wij bleven vriendinnen, ook als haar man die van mij niet zo aardig vond. We bleven samen naar het strand gaan, eerst zingend op de fiets naar Scheveningen, dan in haar autootje naar Zandvoort en nog weer later veel naar Zeeland. We hebben zo veel meegemaakt samen dat we er eigenlijk niet meer over hoeven te praten.

Ze heeft ook niet zo veel zin meer in al die dingen van vroeger.
“Wat heb ik me toch druk gemaakt” zegt ze. “Altijd op mijn gewicht gelet en moet je nou eens kijken: mooi danslijfje en ik kan zo veel eten als ik wil”. Uit haar magere been hangt het slangetje van haar voedselsonde. “Je vind het moeilijk, hè?” zegt ze. “Ik ook, hoor. Ik was hier eigenlijk nog niet klaar, dacht ik. Maar kennelijk zien ze het daarboven anders”. Wat moet ik zeggen? Haar ouders hebben de pastoor al laten komen. Haar zusje heeft bij volle maan in de tuin de Godin aangeroepen. Ze heeft het allemaal gelaten over zich heen laten komen. “Zijn je wensen voor je begrafenis goed doorgesproken?” vraag ik, een beetje voorzichtig. “Kan me niet meer schelen” is haar antwoord. Ik ben bezorgd, ik voorzie een ceremonie waar ze zelf de slappe lach van zou krijgen, iets wat geen recht gaat doen aan deze eigenzinnige dame. Maar ik laat het zo, ik neem me voor mijn eigen ritueel voor haar te doen, met niemand er verder bij. Iets van ons samen.

Ze begint moe te worden, ik zie dat ze een beetje wegzakt. De morfinepomp geeft zachte piepjes af. “Ik kom je zoeken,hoor, straks” mompelt ze. “Zo makkelijk kom je niet van me af. Als de zwanen er zijn, ben ik er ook”. Ze suft een beetje weg. Ik kijk uit het raam naar de winterse tuin, zit nog steeds op haar bed. Op het voeteneind ligt de paarse fluwelen peignoir, die ze vorig jaar van mij gekregen heeft. Toen we elkaar pas kenden stonden we eens samen op het balkon te roken. “Later” zei ze toen, “later word ik zo’n mooie oude dame, met grijs opgestoken haar, die met een paarse kamerjas aan de melkboer probeert te verleiden. En jij ook, zul je zien, maar dan een donkerrode jas”. Ze gaat dat niet meer meemaken, weet ik nu.
Jowie doet haar ogen weer open. “Ben je er nog?” vraagt ze verbaasd. “Ga nou maar weg. Ik spreek je heus nog wel”.

Dat is ook zo. Ik spreek haar al 10 jaar, elke keer als ik de zwanen zie, elke keer als ik de gevonden veren in mijn hand neem. Maar ook als ik kleine meisjes in een tutuutje hun eerste danspasjes zie maken. En aan het strand.

Dat raak je niet zo maar kwijt, zo’n vriendin als een zusje.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.