Om acht uur ‘s morgens loop ik de vertrouwde lange trap op naar het bovenhuis waar mijn vader woont, mijn ouderlijk huis in Den Haag. Het ruikt stoffig en muf. Het is volkomen stil. “Misschien is hij al dood,” denk ik, bijna hoopvol. ” Dat kan toch, hij is 78. En hij doet raar.” Maar nee, hij ligt nog in bed, wil niet opstaan. Wat een zooi is het overal. Ik zet de gaskachel hoog. Kijk naar de ronde eettafel vol met boeken, klerenhangertjes, blikjes, vuile glazen, kladbriefjes, geld, watten, pennen, aangegeten boterham op een met honing besmeurd tafelzeiltje, een stapeltje theedoeken, de afstandsbedieningen van de oude en de nieuwe tv. Op het bijzettafeltje tussen de kranten, bankpasje, een smoezelig overhemd, boodschappenlijstjes en de vieze theepot, ligt een hamer. Die is ter verdediging, heeft hij gezegd. Voor als de mannen met de laarzen binnen komen. De gordijnen zijn dicht. “Pappa, kom, opstaan, je gaat vandaag naar de kliniek”. Hij kreunt als een dier. Ik sla de dekens weg en zie een magere oude man, ongeschoren, te lang piekhaar. “Kan je niet opstaan?” Hij bibbert en staat hulpeloos in zijn pyjama, krom, bang, kreunend. Hij stinkt. Hij stinkt naar een maand niet gewassen. Ik wil mijn vader niet verschonen, ik breng het niet op. “Kleren aan” denk ik, “ze wassen hem daar wel”.
Toen ik zes was, ging ik met mijn vader in bad. Het zijn de vijftiger jaren, we hebben een kolenkachel en een radio en een echte badkamer. Mijn vader ging alleen op zondagochtend in bad. Altijd nog voor het ontbijt. Heet water. Voorzichtig met zijn voet de warmte meten. Ik bloot er naast wachtend, tot het voldoende afgekoeld was, zodat ik erbij mocht komen. Druk babbelend. Tenslotte klom ik, beetje bang toch voor de diepte van het bad, over de rand. Ik zat rechtop op het afvoerputje met de stop, het water kwam tot mijn kin. Intussen bespraken wij het niet-bestaan van God of legde hij de Wet van Archimedes uit. Zes was ik.
Hij stinkt echt erg. Hij kan zich niet aankleden, alsof hij vergeten is hoe dat moet. Hij steunt op me bij het aantrekken van zijn broek, ik moet de knopen dicht frunniken, zijn veters strikken. Ik word misselijk van zijn stank. “Poets je tanden” draag ik hem op en ren naar de wc. Net te laat, ik kots over mijn trui. En ik ben ongesteld, dat kan er ook nog wel bij. Ik verschoon mezelf, spoel mijn trui uit, zet mijn vader in zijn stoel. Thee zetten lijkt nu een prettige bezigheid. Sigaret. Na al dat kreunen zegt hij opeens op zijn bekende verwijtende klaagtoon: “ga je al weer in mijn huis roken..?” En ik ben meteen weer de opstandige dochter, ik mag verdomme ook nooit eens wat, laat me met rust! Ik doe het ook nooit goed. Ik ben nou toch hier? Zeur toch niet zo! Maar ik maak geen ruzie deze keer. Ik vraag of hij pijn heeft, omdat hij weer zo kreunt.
Stomme vraag, mijn vader is hoogstzelden ziek.
Herinnering: mijn vader eet in bed havermoutpap. Wat raar! Hij at nooit pap en hij lag nooit overdag in bed. Ik moet naar school, maar kan me bijna niet losmaken van dat beeld. Mijn Pappa is Nooit Ziek, ik begrijp er niets van.
Mijn moeder, ja zij lag veel in bed. Met een zonnebril op:migraine. Rechtop in de kussens: astma. Middagslaapje: oververmoeid. Bronchitis. Buikvliesontsteking. Weggedragen door 2 mannen voor een rustkuur na “evenwichtstoornis”. Spit. Griep. Vleesboom. Nierbekkenontsteking. Ziek van een nieuw ontwikkelde voedselallergie. Gebroken wervel na een val met de fiets. Longontsteking. Galblaas weggehaald.
Toen mijn vader een keer met een liesbreukje kortstondig in het ziekenhuis miest verblijven en daar buitengewoon veel over klaagde, zei mijn moeder wraakzuchtig: “Net goed, weet hij ook eens wat dat is”.
“Diarree en braken, dat is het ergste” is het antwoord op mijn vraag of hij pijn heeft.
Mijn vader had ooit op een feestje te veel gevulde harde eieren gegeten en moest daar de volgende dag de gevolgen van dragen. We werden gedetailleerd op de hoogte gehouden hoe het hem op het toilet verging en hoe vreselijk dit alles was. Het duurde namelijk wel een hele dag.
Thee moet omgeroerd worden met een houten lepel. Thee moet precies 4 minuten trekken (kookwekker gebruiken!). En de thee moet altijd gedronken worden uit zijn speciale glas, nooit uit een kopje. Suiker en een wolkje melk. Hij hoeft me deze aanwijzingen niet te geven, zo langzamerhand ken ik ze uit mijn hoofd. Hij slurpt. Luidruchtig. Ik word weer misselijk.
Ik kijk uit het raam, alsof het busje dan eerder komt. Ik rook en inhaleer te diep, moet hoesten en wacht op zijn verwijten. Hij kreunt maar zegt niets. Daar ben ik dan weer verbaasd over. Ik voel aan mijn trui die op de gaskachel ligt te drogen en zie dat ik de mouw niet heb schoongemaakt. Ik mag weer even naar de keuken, even weg van die man die ergens vaag op mijn vader lijkt.
De keuken is koud. Ouderwets huis zonder centrale verwarming. De gordijntjes uit mijn jeugd hangen er nog steeds. Ik zie een vettig, merkwaardig groot rek waarin 32 kruidenpotjes op alfabet gerangschikt staan; dat heeft hij vast ooit zelf bedacht, want mijn moeder was niet zo geordend. Ik ruik de soep met een groen waasje er op in een pannetje op het fornuis. In de koelkast staan bakjes en zakjes met beschimmeld en stinkend eten netjes opgesteld. Avondeten, wat ik de afgelopen weken dagelijks gebracht heb. Ik voel me schuldig: ik had bij hem moeten blijven en samen met hem moeten eten. Maar ik vluchtte steeds zo snel mogelijk weg, naar mijn eigen huis, waar het warm is, met een man en zijn kinderen en vriendjes van die kinderen en poezen en gezellige drukte.
Ik vind nog een bus met muffe beschuiten en een potje jam. Hij kijkt naar het bordje dat ik hem voor hou, hij weet niet meer wat hij er mee moet. “Met deze hand vasthouden en dan met die hand eten” wijs ik, leg zijn linkerhand om de rand van het bord, hou het onder zijn kin en verdomd, hij pakt de beschuit en hapt, als een zoet kind.
Vroeger was de keuken een plek waar hij nooit kwam. Hij deed nooit iets in het huishouden, kon letterlijk geen eitje koken. Maar hij stelde wel eisen aan zijn eten. Mijn moeder had absoluut geen talent voor koken. In zijn studeerkamer, een etage hoger, kon hij ruiken dat de aardappels weer waren aangebrand en meldde dat vloekend en schreeuwend vanaf de bovengang naar mijn waarschijnlijk weer eens zieke moeder. En hij had extreme wensen. Een stamppotje moest zonder klontjes zijn “als een zalfje” en dat lukte nooit. Alles moest “zelfgemaakt”, dus soep uit een pakje was uit den boze, net als appelmoes uit blik, of vanillesaus uit een flesje. En elke dag vlees op tafel, hoewel er geen geld voor was. Dus macaroni , pannenkoeken of rookworst, wat hij overigens ‘waterworst’ noemde waren verboden. Het was een absolute eis en mijn moeder voldeed er aan, want die had de gave om heel lang de lieve vrede te bewaren. Op haar manier dan, door een vanillestokje in de met een beetje melk dunner gemaakte vanillevla te leggen. En door wonderlijke gehaktballen te maken – altijd licht verbrand en keihard – en sudderlappen, die zo lang gesudderd werden dat het nauwelijks nog als vlees herkenbaar was of door de kippenhartjes en maagjes waar ze eerst soep van trok, als vlees op ons bord te leggen .
Hij eet langzaam en luidruchtig het beschuitje. Hij klaagt niet over de mufheid of de droge jam. Ik rook en tob over de inhoud van zijn koffertje. Moet er een boek in? Zijn 5 onderbroeken voldoende?
God zij dank: de bel. Het busje! “Ik ben zo blij dat u er bent” roep ik schril. “Zo, dat zijn ze meestal niet” is het antwoord. Twee gezellige mannen komen mijn vader halen. Ik kijk of ze een dwangbuis bij zich hebben, maar ze stommelen met lege handen achter me aan naar boven. Mijn vader heeft zich niet bewogen in zijn stoel, zijn lege bordje nog klemvast. Hij laat zich door mij aankleden, jas aan, das om, pet op, handschoenen. Hij staat er braaf bij. Ik doe idioot geforceerd vrolijk: “Kom Pappa, we gaan op stap”.
Vanaf mijn achtste tot mijn veertiende gingen Pappa en ik regelmatig samen wandelen. Naar de Bosjes van Poot, naar de tuin van het Gemeentemuseum (veel te grote ijscoupe met vruchten en slagroom) of naar de Poffertjeskraam op het Malieveld. Onderweg bespraken wij de geheimen van het leven. De oneindigheid van het heelal, de wereldpolitiek, muziek, literatuur en Pavlov en de voorwaardelijke reflex bijvoorbeeld. Later, toen ik allang het huis uit was, wandelden we naar dezelfde oude bekende plaatsen als ik op bezoek kwam of ik nam hem mee in mijn kleine autootje naar de duinen. En diepgravend discussiëren over de voor- en nadelen van lamsbout-met-muntsaus, het fascinerende van hypnose, de schoonheid van de Brandenburgse concerten van Bach of Arabische poëzie en de eigenaardigheden van mijn moeder.
Mijn vader zit nu in elkaar gezakt, onnatuurlijk ontspannen, in het busje. Kijkt niet naar buiten. Kreunt. Ik heb mijn arm om hem heen. Het lijkt vertrouwelijk, maar ik ben eigenlijk alleen maar bang dat hij van het bankje kukelt. Ik hou mijn vader vast.
Waar is de pappa die mij knuffelde?
Het psychiatrisch ziekenhuis heeft een afdeling geriatrie. Achter ons gaat de deur weer op slot. Wat is dat meisje dat ons voorgaat verschrikkelijk jong. Ze gaat koffie halen en ik ontdoe mijn vader weer van jas, das, pet. Frommel de handschoenen in de zakken. “Hier is de koffie” zegt het meisje alsof het een feestje is, maar dan zonder boterkoek. “Even de papieren halen.” Mijn vader zit op het puntje van zijn stoel. Stilte. Hij is opgehouden met kreunen. Ik durf geen sigaret op te steken, heb geen zin in zijn klagende opmerkingen over het meeroken. Het meisje komt terug, kijkt in haar mapje, zegt “eeeeh…” en gaat weer weg. Er zit niet echt tempo in. Kwart over elf. Aan de muur hangt een schema van te volgen behandelprocedures, liefdevol ingelijst met plakjes kurk. Ik zie in gedachten mijn vader therapeutisch knutselen en vind dat zo lachwekkend dat ik mezelf hoor grinniken.
Mijn vader kan nog geen spijker in de muur slaan. Voor elk klusje moest er iemand komen, want mijn moeder kon dat ook niet. Ze loste dat handig op door de studerende zonen van haar vrienden, noodlijdende kunstenaars of de vriendjes die met me uit wilden, van haar merkwaardige kookkunst te laten meegenieten in ruil voor het aanbrengen van een haakje aan de keukendeur of het repareren van de bel. Mijn vader deed alsof hij dat niet door had en trok zich dan hooghartig terug op zijn studeerkamer. Een goede regeling voor ons allemaal.
Dat hij niets kon maken met zijn handen had één voordeel: de pakjes van Sinterklaas werden lekker herkenbaar. Die zonder enige vorm van surprise-verpakking waren altijd van Pappa.
“Ik wil op een waterbed” zegt hij, alsof er nog een verhaal aan vooraf ging. Ik begrijp het niet. “Doorliggen. Anders ga ik doorliggen”. Hij kijkt mij bezorgd aan. Het duurt even voor ik door heb dat hij deze plek, dit ziekenhuis associeert met veel in bed blijven.
Als je zelf gezond bent, is ziekte kennelijk een onbegrijpelijk fenomeen. Mijn voortdurend kwakkelende moeder ontwikkelde tenslotte slokdarmkanker. Twee weken voordat ze zou sterven, vierden ze, weliswaar gescheiden levend, toch samen mijn verjaardag. “Was ’t nog een beetje gezellig?” vroeg ik per telefoon van mijn vakantieadres. “Ach” zei hij “je weet hoe je moeder is. Die kan haar ziek-zijn zo geweldig dramatiseren”.
Stilte. Ik blader in een foldertje over kenmerken van ondervoeding. Dat zou best eens kunnen, denk ik en ruik in gedachten zijn muffe, stinkende keuken.
Het meisje komt eindelijk terug met een lijst met praktische vragen. “Heeft u een bril?” Omdat mijn vader volhardt in zijn zwijgen, geef ik antwoord voor hem: “Mijn vader is behoorlijk bijziend maar hij heeft geen bril, ook geen leesbril”. Verbazing. “Dat vond hij overbodig” verklaar ik. Hoe leg ik dat in Godsnaam uit? Zo is die eigenzinnige man nu eenmaal… “Kunt u mij verstaan als ik zo praat” zegt het meisje nu luid en duidelijk. Hij reageert niet. “Mijn vader is niet doof, hij wil gewoon niet praten”. Het zweet breekt me uit. Ik voel mijn tampon doorlekken. “Heeft u een kunstgebit?” Geef nou antwoord, Pappa. Ik zie hem nadenken. Hij voelt met zijn tong in zijn mond. Neemt een besluit. “Onder. Een kleine prothese”. “Kunt u uzelf aan- en uitkleden?“ Maar hij heeft kennelijk al genoeg gezegd en vervalt weer in zijn apathie. “Hij kan het misschien wel, maar hij doet het niet” zeg ik tenslotte. De lijst is ingevuld, het meisje kondigt aan dat de dokter in een kwartiertje komt en vertrekt. De koffie is inmiddels koud. Mijn vader doet niets.
“Pappa, wat doe je eigenlijk?” ”Ik schrijf een artikel.” “Ja, wat voor werk doe je?” ”Ik ben psycholoog, dat staat toch op het bordje op de voordeur?” “Ja, maar, je bent altijd thuis.” “Ik studeer, om dat artikel te kunnen schrijven.” Onbegrijpelijk voor een puber.
Mijn moeder doet het huishouden en gaat soms bij andere mensen ook nog schoonmaken of ze gaat poseren op de kunstacademie. Ik moet meehelpen: afwassen, strijken, de trappen stofzuigen en de badkamer soppen. Ik heb een krantenwijkje en breng folders rond op de fiets. Ik val van de trapleer bij het ramen zemen, omdat ik moe ben en slecht eet. Ik volg een dansvakopleiding. En Pappa leest de krant of ratelt op zijn oude schrijfmachine. Loopt vloekend door het huis als hij een pen kwijt is. Studeert. In mijn ogen doet hij niets.
Ik zoek een wc, heb buikkramp, moet me verschonen. Ik geneer me, omdat ik een tampon in het vuilbakje gooi alsof ik een bewijs van mijn bloeiende vrouw-zijn wil achterlaten tussen al die oude mensen. Ik ben bang dat iedereen ruikt dat ik ongesteld ben. Eigenlijk wil ik weg. Ik verlang naar de frisse winterwind buiten. Ik schaam me, omdat ik mijn vader achter die afgesloten deuren ga opsluiten. Ik voel me schuldig, want ik ben de dochter die het nooit, nooit, nooit goed doet.
“Pappa, ik heb een 9 voor dat proefwerk” “En wat had je dan fout?”
“Pappa, heb je me zien dansen?” “Ja, je kon je evenwicht niet bewaren”
“Pappa, ik ga trouwen!” “En hoe ga je dan mijn naam doorgeven?”
“Pappa, ik kan niet zwanger worden” “Je hebt zeker niet alles geprobeerd?”
“Pappa, je kunt niet bij mij in huis komen wonen” “Maar daar is een dochter toch voor”
Terug in het kamertje ruikt het sterk naar ongewassen oude man. Ik ga toch maar roken, al was het maar om de stank te maskeren. Pappa zit nog steeds zwijgend niets te doen. Stilte. Wat is het in die ruimte oorverdovend stil.
Als Pappa zit te tikken op zijn studeerkamer moeten we stil zijn. Als pappa de krant leest in zijn stoel bij de kachel moeten we stil zijn. Als Pappa naar GBJ Hilterman of naar een concert luistert, sluipen we door het huis. En vooral als Pappa aan het woord is, als hij oreert, vloekt, telefoneert of een grap vertelt, zijn we stil.
De – in mijn ogen veel te jonge – dokter komt binnen, noemt zijn naam, steekt zijn hand uit. Mijn vader aarzelt, kijkt naar zijn eigen handen. Hoe was dat ook al weer, welke hand moet je geven, kiest uiteindelijk toch zijn rechterhand. “Weet u waarom u hier bent” is de eerste vraag. Mijn vader denkt lang na, de dokter wacht geduldig. Dan: “Ik heb klaarblijkelijk psychotische angsten.” “Waarvoor?” Weer die lange stilte, de dokter kijkt belangstellend, ik zou willen huilen. “Voor alles” zegt mijn vader voorzichtig. “Voor het bestaan”.
De dokter verzoekt om meer informatie, maar er komen geen antwoorden meer. Ik doe mijn best het hele leven van mijn vader te beschrijven in 5 minuten.
Joods gezin. Veel oudere zuster. Geen geld om te studeren. Oorlog. Ouders gedeporteerd. Onderduiken met vals persoonsbewijs. Overtuigd communist. Bezwangert meteen na de oorlog een alleenstaande moeder. Eerste eigen kind, een jongen, na 5 dagen gestorven. Alsnog studeren, promoveren. Na 3 jaar en veel moeite toch nog een dochter. Geen betaald werk. Geen vrienden. Schrijft boze brieven naar de krant. Schrijft gedichten en hoorspelen. Altijd armoede. Kortstondig voorzitter van de NVSH. Verschillende vriendinnen tijdens het huwelijk. Zuster, de laatste vriendin en ex-vrouw in een tijdsspanne van 2 jaar gestorven. Ontgoocheld toen het communisme niet zaligmakend bleek. Hoogbegaafd. Paranoïde. Oud. Eenzaam.
De dokter nodigt mijn vader uit om mee te gaan voor verder onderzoek. Pappa staat op en zonder nog naar me te kijken, loopt hij met vreemde stijve stappen van me weg.